Het Paasei

Er was eens een klein meisje, 5 jaar jong, dat een grote wens had. Een Paasei.

Het verhaal begon toen ze op de kleuterschool een mooi knutselwerkje voor Pasen had gemaakt. Een paasei van geel karton waar een raampje in geprikt was, wat je met twee luikjes kon openen. Vanuit dat raam liep een papieren laddertje naar beneden en daar stond een geel kuikentje op. Achter het ei was een gevouwen kartonnen bakje geplakt zodat het ei kon staan. In dat bakje lag groen papiergras met daarin een paar gekleurde snoepeitjes.

In haar beleving was dit het mooiste werkje dat ze ooit gemaakt had. Als ze naar het ei keek, dan zag ze een wereld op zich. Maar het meest bijzondere vond ze toch wel, dat die eitjes in dat bakje alleen voor haar waren. Helemaal alleen voor haar.

Nu was er in de stad waar ze woonde een luxe banketbakker, die in zijn etalage prachtige paaseieren van chocolade had staan, met een dakje, een laddertje en een geel donzig kuikentje. En ze dacht: ‘Oh, als ik toch ooit eens zoiets zou krijgen, wat zou dat mooi zijn.’ Maar aan zoiets zouden haar vader en moeder natuurlijk geen geld uitgegeven, dat was wel duidelijk. Zo stond ze ieder jaar vol verlangen voor de etalage, maar haar wens werd niet vervuld.

Een paar jaar later, ze was een jaar of tien, ging ze met haar ouders en zusje de Paasdagen bij familie in het westen van het land doorbrengen. Een collega van haar vader, die ook die kant uit moest, kon met hen meerijden. Als dank voor het meereizen kregen haar zusje en zij van deze mevrouw ieder een groot half chocolade paasei, verpakt in glanzend papier en gevuld met bonbons. Om het ei heen zat een grote strik.

Ze was helemaal onder de indruk dat ze zo’n prachtig duur geschenk kreeg. Het was weliswaar niet een ei met een dakje, een laddertje en een kuikentje, het was eigenlijk een heel volwassen ei voor een kind, maar desalniettemin was ze er heel erg blij mee.

Meteen werd haar duidelijk gemaakt dat, ook al had zij het ei gekregen, het niet de bedoeling was dat ze én het ei én de bonbons in haar eentje zou mogen opeten. Dat moest ze wel met haar vader en moeder delen. Ze voelde een lichte teleurstelling. Het was niet zo dat ze niet wilde of zou kunnen delen, maar het punt was dat het op voorhand al werd opgelegd. Alsof ze het niet waard was om zo’n duur ei te krijgen. Het maakte haar verlangen sterker om ooit een paasei te krijgen wat alleen voor haar zou zijn.

Zo gingen er jaren voorbij en inmiddels volwassen en getrouwd stond ze ieder jaar wel ergens voor een etalage naar chocolade paaseieren te kijken, soms in gezelschap van haar man. En dan zei ze met een kinderlijk verlangen: ‘Oh, wat is dat toch leuk. Nooit gekregen. Och, als ik toch eens zoiets zou krijgen… Maar er gebeurde nooit iets. Voelde haar man de stille hint niet? Het kwam kennelijk niet in hem op haar te verrassen met een paasei.

Er was eens een groot meisje, 52 jaar oud, dat meer en meer het kleine meisje in haar tot leven liet komen. Het moment kwam dat ze dacht: ‘Ik heb als het ware ieder jaar van mijn leven gewacht tot iemand mij het ei zou geven. Maar hoe lang wacht ik nog? Op wie wacht ik? Ik kan het altijd van een ander af laten hangen wanneer ik zo’n ei zal krijgen, maar die ander geeft het niet of kan het niet geven of hoe dan ook. Zo blijf ik altijd afhankelijk. Ik moet het mijzelf geven.’

Zo werd ze zich bewust dat ze al die jaren op zichzelf had gewacht. De tijd was gekomen om het kleine meisje in haar iets moois te geven. Ze sprak er met niemand over, ook niet met haar man.

Het was een bijzonder moment toen ze bij de chocolatier voor de etalage stond en al die prachtig versierde paaseieren zag. Het voelde alsof ze haar droom werkelijkheid liet worden toen ze de winkel binnenging en een paasei met een dakje, een laddertje en een geel donzig kuikentje kocht. Er kwam een mooie verpakking omheen en trots en blij als een kind liep ze met het ei naar buiten.

Toen zag het grote meisje voor de winkel een klein meisje staan van een jaar of vijf oud, aan de hand van haar vader. Het kleine meisje stond te kijken naar al die prachtige eieren in de etalage. Het grote meisje vond het zo ontroerend dat ze naast het kleine meisje ging staan, dat verrukt naar een groot ei wees. Na een paar minuten trok de vader het kleine meisje mee om verder te gaan, maar toen ze een paar stappen had gedaan, trok het kleine meisje haar vader weer mee terug naar de etalage om nog heel even te kijken.

Toen het grote meisje dit allemaal zag, dacht ze: ‘De geschiedenis herhaalt zich. Nu staat er opnieuw een klein meisje en zij zal misschien ooit een ei krijgen, en zo niet… dan zal ze misschien ooit ook zelf ontdekken dat ze het zichzelf moet geven.’

Maar meer nog dan dat het zich zal herhalen, kon ze zien wat het was. Het vergelijk met wie zij was als dat kleine meisje en die volwassen vrouw die daar op hetzelfde moment naast stond, liet het hele idee tot volle wasdom komen. God in eigen persoon had dit tafereel voor haar geënsceneerd; daar een vader naar toe gestuurd met zijn dochtertje, om haar te laten zien: ‘Kijk, dit was het en dit is het. En er zit iets tijd tussen, maar wat maakt het uit. Tijd is ruimte en je hebt iets gedaan waarvan je niet het idee had dat je dat nog zou gaan beleven. Maar als jij wilt dat het gebeurt, laat het dan ook maar gebeuren. Geef daar maar energie aan en als het goed is, gaat dat ook gebeuren. Feitelijk ben je alleen maar jezelf aan het herscheppen. Je was al zover. De rest blijft gewoon wachten op jou, tot je het laat zien.

Op deze manier herschreef ze haar verleden. Ze had de weg gevonden. Ze was zover. Ze was uit zichzelf gestapt. Ze had het gecreëerd. Het was klaar.

Met een feestelijk gevoel keerde ze met haar paasei huiswaarts. Maar daar wachtte haar een nog grotere verrassing. Want wie zat daar op haar te wachten? Haar man… met een Paasei! Toen kwamen de tranen met tuiten. Al die jaren had ze op een ei gewacht en nu had ze er twee. Toen begreep ze de symboliek van dit verhaal.

Je kunt pas iets ontvangen als je het eerst aan jezelf gegeven hebt.

Ze had altijd gewacht tot anderen het haar zouden geven. Nu begreep ze dat God al die anderen had tegengehouden om het haar te geven. Het was aan haar om de daad bij het woord te voegen.

Als je het jezelf geeft, wordt het je gegeven. Je bent God.

Er was eens een klein meisje… dat meisje ben ik…

Tetty


Op Weg naar je Ware Natuur gaat verder via Het Pad van de Pelgrimswww.hetpadvandepelgrims.nl